Equine Viral Arteritis (EVA)

Equine Virale Arteritis (EVA) is een besmettelijke virusziekte bij paarden. EAV komt voor in vele landen wereldwijd. Hoewel het merendeel van de infecties subklinisch verloopt, kan deze gepaard gaan met verschijnselen als koorts, anorexia, oedeemvorming, conjunctivitis, abortus en in zeldzame gevallen ernstige pneumonie en/of enteritis bij jonge veulens. In vrijwel alle gevallen echter herstellen geïnfecteerde dieren volledig.

De ziekte wordt verspreid via de luchtwegen en is ook seksueel overdraagbaar. EVA-virus

Het virus
EAV is een virus dat in 3 genetisch groepen verdeeld kan worden. EAV-1 komt m.n. voor in Europa. EAV-2 komt vooral voor in Amerika en EAV-3 komt voor in Europa en Noord-Amerika.

Verspreiding
EAV verspreidt zich voornamelijk via de ademlucht. Virusdeeltjes in neusuitvloeiingen van besmette dieren worden ingeademd, vooral ook tijdens verplaatsing van besmette paarden voor verkoop, shows en races. Intensief contact vergemakkelijkt de verspreiding van het virus.

Na een primaire infectie wordt het virus ten gevolge van de productie van beschermende antistoffen volledig opgeruimd (meestal binnen 28 dagen na infectie) en treden daarna geen nieuwe infecties meer op. Seropositieve merries en ruinen vormen daarom ook geen gevaar meer voor hun omgeving. Anders is de situatie echter bij hengsten. Na een primaire infectie kunnen hengsten (zeer) langdurig drager zijn van het virus (maanden tot soms jaren).  Het virus bevindt zich bij deze dieren in de geslachtsklieren en wordt via het sperma uitgescheiden. Via besmet sperma kunnen seronegatieve merries geïnfecteerd worden. Een seropositieve hengst, in tegenstelling tot een seropositieve merrie of ruin, vormt dus een potentiële bron voor EAV-besmettingen. Bij een besmetting raakt ongeveer 30% tot 60% van de hengsten persistent geïnfecteerd.

In de regel zal een primair besmette de merrie het virus makkelijk kwijtraken, maar een drachtige merrie besmet met EAV kan het virus naar haar ongeboren foetus overdragen; de foetus raakt besmet en gaat dood en wordt geaborteerd. Als het geïnfecteerde veulen levend wordt geboren, zal het slechts enkele dagen leven.

De laatste jaren wordt wereldwijd een toename gezien van seropositieve paarden. Deze toename is naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven aan een toename van het aantal transporten en het gebruik van besmet sperma.

Van belang is te weten dat met EAV besmet sperma niet geëxporteerd mag worden. Bovendien hebben sommige landen een importverbod voor seropositieve paarden.

Er bestaat een effectief geïnactiveerd vaccin dat in sommige Europese landen is geregistreerd. In Nederland is echter geen geregistreerd vaccin beschikbaar.

Symptomen
Veel paarden die geïnfecteerd raken met EAV vertonen geen klinische verschijnselen. Als er verschijnselen zijn in de acute staat van de ziekte dan kunnen de volgende symptomen optreden: koorts, neusuitvloeiingen, gebrek aan eetlust, ademhalingsproblemen, huiduitslag, pijnlijke spieren, conjunctivitis en depressie. Andere waargenomen symptomen zijn zwelling rond de ogen, ooguitvloeiingen, opgezette ledematen, opgezwollen genitaliën. Abortus bij besmette drachtige merries is ook een symptoom van een EAV-infectie.

EVA kan klinisch niet of moeilijk onderscheiden worden van een aantal andere infectieziekten die bij paarden voorkomen, waaronder: equine influenza virus, equine herpesvirus 1 en 4, equine rhinitis A en B virus, equine adenovirus en streptococcen infecties.

Diagnose
In geval men een bevestiging wil van een (subklinische) EAV-infectie kan een virusisolatie worden uitgevoerd in de acute fase met keel-, neus- of oogswabs, met perifere bloedcellen (EDTA-bloed) of met sperma.
De diagnose kan ook worden vastgesteld door het aantonen van een seroconversie aan de hand van gepaarde serummonsters genomen tijdens de acute fase van de infectie en 21 tot 28 dagen later.

In geval van import-/exportdiagnostiek, dient allereerst serologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Met dit serologisch onderzoek worden EAV-specifieke antistoffen die in staat zijn het virus te neutraliseren, aangetoond door middel van een virus-neutralisatie-test (VNT). In deze test worden verschillende verdunningen van het te onderzoeken serum samengebracht met een vaste hoeveelheid EAV. Na een incubatie van 1 uur bij 37º C wordt het mengsel gebracht op een celcultuur die gevoelig is voor het virus. Indien voldoende EAV neutraliserende antistoffen aanwezig zijn in het serum zal de celcultuur niet worden aangetast. Indien geen of onvoldoende EAV neutraliserende antistoffen aanwezig zijn, zal EAV in staat zijn de celcultuur aan te tasten.

Het onderzochte dier is serologisch positief wanneer het serum bij een verdunning van 1:4 of hoger in staat is EAV te neutraliseren.

In sommige gevallen veroorzaakt het te onderzoeken serum een toxische reactie met de celcultuur, waardoor een virus-neutralisatie-reactie niet is te beoordelen. De oorzaak hiervan kan zijn dat het betreffende dier eerder vaccinaties heeft ondergaan waardoor antistoffen aanwezig zijn die rechtstreeks met de celcultuur reageren en de cellen ten gronde richten. Een andere oorzaak kan de kwaliteit van het monster zijn (besmet, niet vers, gecontamineerd met desinfectans).  In dit laatste geval kan een heronderzoek met een nieuw kwalitatief goed serummonster wel een bruikbaar testresultaat opleveren.

Als een hengst seropositief wordt bevonden in de EAV-VNT (zie hierboven), zal onderzoek op de aanwezigheid van EAV in sperma moeten worden uitgevoerd. Aanbevolen wordt de virusisolatie uit te voeren op twee spermamonsters, beide verzameld op dezelfde dag, op opeenvolgende dagen of met een interval van dagen of weken. Bij het vangen van sperma moet geen gebruik gemaakt worden van een antisepticum of desinfectans om de genitaliën schoon te maken. Contaminatie van sperma met deze stoffen of met bloed kan leiden tot een vals-negatief testresultaat. Dergelijke monsters zijn daarom ongeschikt voor onderzoek.

Spermamonsters (spermarijk semen) dienen na monstername direct en gekoeld (4º C) te worden verzonden zodat deze op dezelfde dag bij het diagnostisch laboratorium aanwezig zijn. Als alternatief kunnen de spermamonsters direct worden ingevroren (-20º C) waarbij tijdens verzending en bij aankomst bij het laboratorium de monsters bevroren moeten blijven.

De virusisolatie wordt uitgevoerd door verdunningen van het spermamonsters bij 37º C te incuberen met een voor EAV gevoelige celcultuur. Na 2 tot 6 dagen worden de cellen microscopisch beoordeeld op veranderingen die veroorzaakt kunnen zijn door EAV {z.g. cytopathogeen effect (cpe)}. Indien geen veranderingen worden waargenomen, wordt met de bovenstaande kweekvloeistof opnieuw een virusisolatie uitgevoerd. Ook hierbij worden cellen na 2 – 6 dagen microscopisch beoordeeld.

Indien de celcultuur microscopische veranderingen (cpe) laat zien, wordt een virustypering uitgevoerd op basis waarvan vastgesteld wordt of er sprake is van EAV. Indien EAV kan worden aangetoond, bevond het virus zich dus in het sperma en heeft men te maken met een persistent geïnfecteerde drager.          
    

Naast de hierboven beschreven virusisolatie kan het virus ook worden aangetoond door detectie van het genetisch materiaal van het virus d.m.v. de z.g. polymerase kettingreactie (PCR). Het voordeel van deze PCR is, dat deze test t.o.v. de virusisolatie gevoeliger en sneller is. Hoewel de virusisolatie wordt voorgeschreven als diagnostische test i.h.k.v. handelsdoeleinden, zal in de toekomst de PCR mogelijk bij voorkeur gebruikt gaan worden voor detectie van EAV in spermamonsters.

Op dit moment wordt op ons instituut een EAV-PCR ontwikkeld die hopelijk in de loop van 2009 operationeel wordt.

Print deze pagina