BSE in Nederland, een stukje historie
Door import van besmette koeien en besmet diermeel (beide voornamelijk uit Groot Brittannië, waar de BSE epidemie is begonnen) is waarschijnlijk al aan het eind van de tachtiger jaren BSE in Nederland geïntroduceerd. In 1990 heeft Nederland import van diermeel uit Groot Brittannië (GB) verboden. Import van levend vee uit GB werd ook vanaf dat moment verboden, met uitzondering van kalveren indien die op een leeftijd jonger dan 6 maanden oud geslacht werden. Toen zijn bovendien alle nog levende koeien getraceerd en gevolgd, die voordien uit GB geïmporteerd zijn naar Nederland.
Handelsstromen van diermeel zijn zeer moeilijk te traceren, aangezien er veel tussenhandel bestaat. Nederland importeerde bijvoorbeeld eind jaren tachtig ongeveer evenveel diermeel als er in eigen land geproduceerd werd, maar we exporteerden ook een vergelijkbare hoeveelheid. Daarvan is niet meer te controleren of dit eigen product was, dan wel dat geïmporteerd diermeel weer werd geëxporteerd.
Hoe kon BSE zich in Nederland handhaven?
Door het hergebruik van dierlijke eiwitten in diervoeding kan BSE verspreid worden en tot nieuwe infecties leiden. Allerlei maatregelen zijn genomen om deze BSE recycling te onderbreken, maar hoewel de maatregelen de verspreiding van BSE drastisch inperken, blijken ze de transmissie niet direct volledig stop te zetten. Door deze maatregelen neemt het aantal nieuwe BSE gevallen in Nederland af, maar het is niet zo, dat we in één keer volledig van het probleem zijn verlost. Juist omdat de infectie zich heel traag ontwikkelt, is de afname van het aantal BSE gevallen ook heel traag. Het effect van bestrijdingsmaatregelen is bovendien pas vele jaren na de introductie en implementatie te zien (ongeveer de gemiddelde incubatietijd van 4-5 jaar).
In de loop der jaren zijn steeds meer bestrijdingsmaatregelen genomen, waardoor de kans op nieuwe infecties de laatste jaren drastisch is afgenomen. Dit uit zich dan ook in een snelle afname van het aantal gevallen van BSE gedurende de laatste 5-6 jaar. In 2009 is voor het eerst in Nederland geen enkel geval vastgesteld (zie figuur 1). In totaal zijn tot 2011 88 gevallen van BSE vastgesteld bij Nederlandse runderen. In 2010 zijn drie gevallen vastgesteld, maar het betreft zeer oude koeien, geboren voor de instelling van het absolute verbod op het gebruik van diermeel. Eén van de drie gevallen betrof een "atypische BSE", waarvan vermoed wordt dat het spontaan ontstaat.
Tot zover zijn alle klassieke Nederlandse BSE gevallen te verklaren door besmet diermeel, dat in rundveevoeders aanwezig was via versleping (bijmenging) met voeders voor niet-herkauwers, waarin tot 2001 diermeel was toegestaan (rapport Central Veterinary Institute).
Voor meer informatie over bestrijdingsmaatregelen, zie het onderdeel bestrijding.

Figuur 1. Aantal vastgestelde BSE gevallen in Nederland per jaar.
De aantallen zijn gebaseerd op de datum van monsterneming/sterfte en niet op basis van de datum van de definitive diagnose.