Historie

Rabiës (hondsdolheid; lyssa) is een van de oudst bekende zoönotische (=zowel bij mens als dier voorkomend) ziekte. Al ruim 2000 jaar vóór Christus zijn er beschrijvingen bekend van wat naar alle waarschijnlijkheid rabiës is. In 100 na Christus beschreef de Romeinse enclyclopedist (en mogelijk arts) Aurus Cornelis Celsus hydrofobie, één van de symptomen van rabiës bij de mens, na het oplopen van een beet van een hondsdolle hond.
Ondanks het feit dat er al in 1885 door Louis Pasteur een effectief vaccin tegen rabiës ontwikkeld werd, is deze zoönose (een besmettelijk ziekte die overgebracht kan worden van dieren naar mensen of andersom van mensen naar dieren) vooral in ontwikkelingslanden nog steeds een heel groot volksgezondheidsprobleem. Volgens cijfers van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) sterven jaarlijks meer dan 50.000 mensen aan rabiës en krijgen circa 10 miljoen mensen een medische behandeling na blootstelling eraan.
De belangrijkste verspreiders van de ziekte (virusreservoir) zijn wereldwijd vooral carnivoren (honden, katten, vossen, apen en vleermuizen). Met rabiës besmette dieren zijn niet altijd herkenbaar; vooral van vleermuizen is bekend dat ze niet zichtbaar last hebben van het virus. Over het algemeen is het verdacht wanneer een dier agressief of onrustig is, of zich juist heel anders gedraagt dan natuurlijk is. In Nederland vormen hoofdzakelijk vleermuizen het reservoir, hoewel blootstelling via geïmporteerde (huis)dieren natuurlijk altijd een potentieel risico is. In Nederland is al sinds tientallen jaren geen inheems geval van menselijke rabiës meer geregistreerd.
Verwekker
Het rabiësvirus (figuur 1) is een kogelvormig negatief strengig RNA-virus uit de orde Mononegavirales, familie Rhabdoviridae (Rhabdo=kogel), genus Lyssavirus. Van het genus lyssavirus zijn inmiddels zeven genotypen (tabel 1) bekend. Type 1 is het klassieke rabiësvirus; type 2 is het Lagos-bat-virus; type 3 is het Mokola-virus; type 4 is het Duvenhage-virus; type 5 is het European-bat-lyssavirus 1 (binnen genotype 5 bestaan er twee verschillende clusters EBL1a en EBL1b); type 6 is het European-bat-lyssavirus 2 (EBLV-2); type 7 is het Australian-bat-lyssavirus (ABL). Alleen genotype 2 is nooit vastgesteld bij de mens.
Figuur 1. Rabiësvirus (bron: ATV's Special Rabies page by Steven K. Vernon)

Tabel 1.
Situatieschets
Voor Nederland zijn drie genotypen van belang: het klassieke rabiësvirus (genotype 1) dat bij vele zoogdieren voor kan komen en de European-bat-lyssa (EBLV1 en 2)-virussen bij vleermuizen. Nederland heeft sinds 1923 een rabiësvrije status, in 1987 is de eerste met EBLV besmette vleermuis ontdekt. Sindsdien is uit onderzoek aan inheemse vleermuizen gebleken dat met name de laatvlieger (Eptesicus serotinus) en de meervleermuis (Myotis dasycneme) het reservoir voor EBLV vormen. Klassieke rabiës komt in Nederland en België al tientallen jaren niet meer voor, hoewel af en toe vossen vanuit Duitsland de besmetting over de grens brengen.
Vooral in Oost-Europa en Turkije komt het klassieke rabiësvirus nog op grote schaal voor (figuur 2), en ook in Noord-Afrika is klassieke rabiës endemisch.

Figuur 2. Lyssavirus meldingen in Europa. Bron: Rabiës Bulletin Europe FLI
Ziekteverloop
Incubatietijd
Na een beet van een (geïnfecteerd) dier of de verzorging van een rabide persoon kan het rabiësvirus met het speeksel terechtkomen in het onderhuidse weefsel of in de spieren. Men neemt aan dat het virus zich in de spiercellen vermeerdert en als de concentratie hoog genoeg is, het zenuwstelsel binnendringt. De incubatietijd is bij de mens gemiddeld 20 tot 60 dagen, maar kan oplopen tot meer dan een jaar. De incubatietijd is vooral afhankelijk van de plaats waar men gebeten wordt, hoe verder van het centraal zenuwstelsel, hoe langer de incubatietijd. De diersoort die de beet heeft toegebracht, de aard van de beet en de hoeveelheid virus zijn medebepalend voor de incubatietijd.
Symptomen
De symptomen van rabiës zijn vooral in de eerste (prodromale) fase nogal wisselend en beginnen meestal vrij aspecifiek met een lichte koorts, algehele malaise, hoofdpijn, verminderde eetlust, keelpijn en misselijkheid. De plaats van de wond kan jeuken en pijnlijk zijn, mogelijk een gevolg van vermeerdering van het virus in de sensorische zenuwen.
In de neurologische fase doen zich symptomen voor als hyperactiviteit, nekstijfheid, stuiptrekkingen en verlammingsverschijnselen, vooral in het wondgebied. Bij ongeveer de helft van de patiënten treedt ook aërofobie of hydrofobie op. Het voelen van lucht of het zien van vloeistof lokt dan spasmen van de ademhalings- en slikspieren uit, die zo onaangenaam zijn dat de patiënt angst krijgt voor water (hydrophobia = watervrees).
Behandeling
Het slachtoffer kan beschermd worden door binnen de incubatietijd in een aantal sessies passieve (immuunglobulinen) en actieve immunisatie (rabiës vaccin) toe te passen.
Indien een rabiësinfectie niet behandeld wordt dan is de afloop in alle gevallen dodelijk. Er is slechts één geval bekend van een persoon met symptomen van rabiës die de infectie heeft overleefd.
Bestrijding
Al sinds de Middeleeuwen wordt in de meeste West-Europese landen middels de invoer van hondenbelasting de overlast van loslopende honden, en daarmee de verspreiding van rabiës bestreden. De ziekte komt tegenwoordig in continentaal West-Europa vrijwel uitsluitend nog voor bij vossen. In Nederland en België is klassieke rabiës volledig uitgebannen door middel van het oraal vaccineren van vossen en ander wild met lokazen, voorzien van een gemodificeerde rabiësvirusstam die de dieren immuniseerde. Deze methode is zo’n 25 jaar geleden ontwikkeld en heeft sindsdien uitstekende resultaten geboekt. Het jaarlijkse aantal rabiës gevallen in Europa is gedaald van 21.000 in 1990 naar 5.400 in 2004. Verschillende landen zoals Finland en Nederland (1991), Italië (1997), Zwitserland (1998), Frankrijk (2000), België en Luxemburg (2001) en de Tsjechische Republiek (2004) zijn sindsdien officieel rabiësvrij verklaard.
Diagnostiek
Gevallen van direct contact met levende (bijtgevallen) of dode vleermuizen moeten worden gemeld bij de meldkamer van de afdeling Incidentmanagement meldkamer en Dierziektenbestrijding (IMD) van de Voedsel en Warenauthoriteit (VWA), telefoonnummer 0800-0488. Dierenartsen melden directe gevallen met vleermuizen bij het Centrale meldpunt dierziekten van het ministerie van EL&I (meldkamer AID), telefoonnummer 045-5466230. De IMD of het Centrale meldpunt regelen het transport van een met rabiës verdachte vleermuis naar het Central Veterinary Institute van Wageningen Universiteit en Research Centrum in Lelystad (CVI).
Het CVI in Lelystad voert vervolgens binnen 20 uur de diagnostiek uit. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door de Europese Unie voorgeschreven test, de fluorescent-antibody-test (FAT) waarbij een hersenafdruk van de verdachte vleermuis aangekleurd wordt met fluorescerende antilichamen gericht tegen het rabiësvirus. Wanneer virus aanwezig is in het hersenmateriaal van de vleermuis is dit onder een fluorescentiemicroscoop zichtbaar. Positief materiaal wordt vervolgens voor researchdoeleinden verder onderzocht teneinde te bepalen wat het genotype is van het gevonden virus.
Chantal B.E.M. Reusken, Peter H.C. Lina, Annemarie Pielaat, Ankje de Vries, Cecile Dam-Deisz, Jeroen Adema, Jan Felix Drexler, Christian Drosten and Engbert A. Kooi. Circulation of Group 2 Coronaviruses in a Bat Species Common to Urban Areas in Western Europe. Vector-Borne And Zoonotic Diseases (2010), Volume 10(00): 1-9.