Varianten

Het aviaire influenza-virus wordt onderverdeeld naar de twee eiwitten die op de buitenkant van het virus aanwezig zijn: Haemagglutinine (H) en Neuraminidase (N). Er zijn op dit moment 16 H-typen en 9 N-typen bekend, die in verschillende combinaties kunnen voorkomen. Het virus bestaat uit een laag- en een hoogpathogene (= laag en hoog ziekte verwekkende) variant. Alle subtypen kunnen laagpathogeen zijn voor de kip, dus ook H5 en H7.

Laagpathogeen
De effecten van het laagpathogene virus variëren van zeer lichte verschijnselen tot ernstige ziekte.
Kenmerken:
  • luchtwegbezwaren
  • eiproductiedaling
  • milde tot zware ontsteking van de luchtpijp
  • longontsteking
  • gezwollen kop
Als er hoge sterfte is bij deze laagpathogene variant dan komt dit meestal door secundaire infecties. Het gevaar is altijd aanwezig dat deze laagpathogene varianten kunnen veranderen in hoogpathogene varianten na introductie in kippen en kalkoenen.

Hoogpathogeen
Klassieke vogelpest wordt veroorzaakt door hoogpathogene influenzastammen. Deze behoren tot nu toe altijd tot de subtypen H5 of H7. Het virus veroorzaakt ernstige ziekte en plotselinge toename in sterfte.
Kenmerken:
  • oedeem aan hoofd, aangezicht en nek
  • onderhuidse bloedingen in poten, lellen en de kam
  • weefselsterfte
  • luchtwegproblemen
  • overvloedige traanvorming
  • ontsteking bijholte van de neusholte
  • diarree
  • sloom
  • ruw verenkleed
  • eiproductiedaling
De uitbraak in Nederland in 2003 werd veroorzaakt door een hoogpathogene variant (H7N7). Het is echter niet uitgesloten dat er regelmatig introducties plaatsvinden van de laagpathogene variant. Daarom is er een monitoringsprogramma om een vinger aan de pols te houden.
Print deze pagina