Geschiedenis van de vier instituten:
1959 CDI: Centraal Diergeneeskundig Instituut Het Centraal Diergeneeskundig Instituut is in 1959 ontstaan uit de fusie van de Rijks Serum Inrichting (RSI) uit Rotterdam (1904) en het Staats Veeartsenijkundig Onderzoekinstituut (SVOI) uit Amsterdam (1929). Het instituut deed fundamenteel en toepassingsgericht veterinair onderzoek en ontwikkelde vaccins en bijbehorende diagnostische testen, die het mogelijk maakten om dierziekten te bestrijden en uit te roeien. Een belangrijke doorbraak hierbij was de ontwikkeling van markervaccins, die het onderscheid mogelijk maken tussen in het veld geinfecteerde dieren en gevaccineerde dieren. Het instituut was tevens referentie instituut o.a. voor de gezondheidsdiensten voor dieren. |
 |
|
De RSI was opgericht voor het doen van onderzoek voor de veehouderij, met name de diagnostiek, maar ook de productie van middelen om de dierziekten te bestrijden. Het SVOI werd opgericht speciaal voor mond - en klauwzeer onderzoek. Het onderzoek was gevestigd op het marine terrein in hartje Amsterdam, zover mogelijk bij MKZ gevoelige dieren vandaan.In 1972 verhuisde het SVOI naar Lelystad. Het high containment gebouw waar het instituut in werd gevestigd was speciaal ontworpen voor onderzoek aan het zeer besmettelijk naar mkz virus.In 1982 verhuisde ook de RSI naar een ruim onderkomen in Lelystad met een uitgebreid proefdierverblijven complex. |
|
 |
1939 IVO: Het Instituut voor Veeteeltkundig onderzoek Het Instituut voor Veeteeltkundig onderzoek (IVO) "Schoonoord" vindt zijn oorsprong in het zoölogisch laboratorium van de Universiteit van Utrecht. Het betrof de universitaire werkgemeenschap voor endocrinologie, opgericht in 1939, waarin onderzoek over hormoonwerking werd verricht met als proefdieren bittervoorntjes. Later werd in 1945 de werkgroep voor kunstmatige inseminatie opgericht. In 1951 werden de beide werkgroepen samengevoegd tot "Instituut voor Veeteeltkundig onderzoek" en werd ondergebracht bij de landbouworganisatie TNO. In 1963 werd in Zeist het landgoed "Schoonoord" aangekocht en werden het instituutsgebouw en het proefbedrijf de Bunsing gebouwd. In 1961 werd de Bantham als varkensonderzoekbedrijf aangekocht en in 1971 kwam daar 't Gen in Lelystad bij, voor grootschalige en langlopende fokkerij- en vleesprodutie experimenten voor rundvee en schapen. |
|
1921 COVP: Centrum voor Onderzoek en Voorlichting voor de Pluimveehouderij Vanaf 1921 is het "Centrum voor Onderzoek en Voorlichting voor de Pluimveehouderij" (COVP) gevestigd op het landgoed Spelderholt.Voorloper hiervan was de vereniging tot bevordering van de Pluimveehouderij in Nederland, een proeffokstation gesticht in Amersfoort tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vlak na de oorlog werd de zaak gesloten en richtte het rijk een Rijksproefstation op in Beekbergen. In 1921 werd het proefstation voor de pluimveehouderij "Het Spelderholt" opgericht, later was er sprake van het Instituut voor de Pluimveeteelt "Het Spelderholt", daarna weer omgedoopt tot Instituut voor Pluimveeonderzoek.Oorspronkelijk was er van sterk op de praktijk afgestemde aanpak sprake, later kwam ook het fundamenteel en wetenschapplijk onderzoek aan bod. |
 |
|
|
1890 IVVO: Het Instituut voor Veevoedingsonderzoek De geschiedenis van het Instituut voor Veevoedingsonderzoek (IVVO) gaat terug tot 1890. In dat jaar werden er drie Rijkslandbouwproefstations geopend waarvan een in Hoorn. Deze vormde de basis voor het latere Instituut voor Veevoedingsonderzoek.In eerste instantie had het proefstation een dubbele taak: het uitvoeren van controle werkzaamheden en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek (analyses van mest en voedermiddelen). In 1916 werden bij een totale reorganisatie van de rijkslandbouwproefstations alle controle werkzaamheden naar elders overgeheveld en kon men zich in Hoorn volledig wijden aan het onderzoek op het gebied van zuivel en veevoeding. In 1977 verhuisde het IVVO naar Lelystad. |